RISKANTE WETENSCHAP PROF DR WPM HOEKSTRA FACULTEIT

RISKANTE WETENSCHAP PROF DR WPM HOEKSTRA FACULTEIT






Riskante wetenschap

Riskante wetenschap


Prof. dr. W.P.M. Hoekstra

Faculteit Biologie

Universiteit Utrecht


Een 20-tal jaren geleden heette NWO de grote tweede geldstroom organisatie in ons land nog ZWO, hetgeen stond voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek. Wetenschappers hechten als het om de wetenschap gaat nog steeds aan de term “zuiver”, een term met de suggestieve bijklank “zonder smet of blaam ”. Als er al smetten zijn rondom de wetenschap, als er al risico’s zijn dan moet je die zoeken bij de toegepaste wetenschap, zo stellen ze.

Het is uiterst kunstmatig om een scheiding te maken tussen zuivere wetenschap en toegepaste wetenschap. Het is ook naïef om te spreken van zuivere wetenschap als was het een volstrekt autonoom verschijnsel. Wetenschap heeft de samenleving altijd beïnvloed en omgekeerd heeft de samenleving ook altijd de wetenschap gestuurd. De kritische cabaretier Jaap van der Merwe vertolkte in de jaren zeventig het hypocriete karakter van de scheiding “zuiver’ versus “toegepast” als hij in een liedtekst een kernfysicus laat zeggen:

Ik heb de atoombom wel gemaakt, maar ik heb niet gezegd dat je er mee moest gooien “.

Inmiddels wordt door bewustwording in de jaren zeventig – denk aan de opkomst van de wetenschapswinkels in ons land en van een organisatie als Science for the People in de USA - veel gesproken en gedacht over de maatschappelijke aspecten van de wetenschap. De kernfysica, de chemische industrie, de farmaceutische industrie, de moderne landbouw en veeteelt laten vaker dan ons lief is zien dat wetenschap niet alleen verlichting brengt maar ook zijn schaduwkanten heeft. Het simpele feit dat veel wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten betaald wordt met publieke middelen betekent dat het publiek de wetenschap terecht bevraagt omtrent haar bedoelingen en aandacht vraagt voor de risico’s die aan bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen kleven.

Er is daardoor wel een spanningsveld ontstaan: wetenschappers die zich eertijds veilig in een ivoren toren waanden voelen zich nu vaak in de “beklaagdenbank” geplaatst. Ze zien zich soms geplaatst tegenover kritiek die ze als onwetenschappelijk of zelfs als anti-wetenschappelijk ervaren. Wetenschappers constateren soms met pijn dat de discussies over de risico’s gevoerd worden op basis van emoties en niet op basis van kennis van zaken. Dat was in 1992 bij de milieu topconferentie in Rio de Janeiro de reden dat een groot aantal wetenschappers waaronder 72 Nobelprijswinnaars een oproep deden om risico’s van de wetenschap te bezien als problemen die je wetenschappelijk diende aan te pakken. Zij hielden een pleidooi om de discussies te ontdoen van anti-wetenschappelijke emoties. Die oproep is bekend geworden als het Heidelberg Appeal en in ons land bestaat een loot van die beweging Heidelberg Appeal Nederland (HAN) genoemd.


Risicoschatting en risicobeheersing


Met name op het gebied van milieu en gezondheid is de afgelopen jaren voor een breed publiek duidelijk geworden dat bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen ongewenste bijverschijnselen met zich meebrachten. Ik zal een paar voorbeelden uit velen noemen:

-de toepassing van chemische middelen voor het bestrijden van insectenplagen, denk aan het bekende DDT, leidde tot grote milieuproblemen omdat veel van die zogenoemde pesticiden niet biologisch afbreekbaar zijn, derhalve in het milieu accumuleren en als toxische stoffen in de voedselketen opduiken.

-het grootschalig gebruik van antibiotica zowel in de humane sector maar vooral in de dierlijke sector waar antibiotica op grote schaal als groeibevorderaars aan het veevoer worden toegevoegd heeft grote gevolgen gehad. Het heeft ons gevoerd tot de ernstige situatie van steeds meer resistente bacteriën waardoor de antibioticumtherapie waar we zo van afhankelijk zijn in de geneeskunde haar kracht gaandeweg verliest.

-voeg ik nog toe het Softenondrama uit de jaren zestig en het DES probleem uit diezelfde tijd dan zal duidelijk zijn over wat voor een soort problemen het gaat.

Om zulk soort problemen te beheersen is er voorgesteld om het Precaution Principle (het voorzorgsbeginsel) te hanteren. Het voorzorgsbeginsel betekent dat er beleid gevoerd wordt op basis van niet meer dan een vermoeden van onaanvaardbare ontwikkelingen. Vaak wordt dat idee wervend uitgedragen onder het motto” Better safe than sorry”. Het voorzorgsbeginsel wordt helaas niet eenduidig gehanteerd. Sommige mensen en organisaties, vooral milieuorganisaties, stellen dat als er aan een wetenschappelijke ontwikkeling enig risico –vaak gemeten op basis van een “worst case scenario”- verbonden is, dat dan onmiddellijk een halt moet worden toegeroepen aan die ontwikkeling. Het voorzorgsbeginsel is dan een bot middel om wetenschappelijk ontwikkelingen te blokkeren. Anderzijds zijn er ook mensen en organisaties -en dan praten we over politici en commerciële organisaties- die het voorzorgsbeginsel geweld aandoen omdat ze alleen dan maatregelen willen nemen als er absolute zekerheid over de risico’s bestaat.


Een complicerende factor is dat er over het begrip veilig (safe) in het kader van het voorzorgsbeginsel verschillende percepties bestaan. Een voorbeeld om dat te illustreren. Tot voor een paar jaar werden er door bepaalde groepen nadrukkelijk vraagtekens gezet bij het nut van vaccinaties bij kinderen. Ze betoogden dat de verschillende vaccinaties een overmatige stress betekende voor het natuurlijke afweersysteem. Ontsporingen van dat systeem in de vorm van allergieën en zelfs auto-immuunziekten zouden het ongewenste gevolg zijn. In een periode van weinig of geen uitbraken van ernstige infectieziekten bij kinderen vinden dit soort geluiden –waarvoor volgens deskundigen geen wetenschappelijk argumenten zijn- toch makkelijk ingang. Een pleidooi om uit veiligheidsoverwegingen te stoppen met vaccinatie van jonge kinderen werd steeds vaker gehouden. Hoe snel veranderde de stemming en de perceptie rondom het risico van vaccinatie toen in West Brabant in 2002 een kleine uitbraak van hersenvliesontsteking, veroorzaakt door de bacterie Neisseria meningitidis optrad. Snel werden kinderen in de omgeving van de uitbraak gevaccineerd. Elders in Nederland achtten de gezondheidsdiensten een onmiddellijke vaccinatie niet nodig. Verontruste ouders eisten echter ook voor hun kinderen vaccinatie. Zoals Brederode al sprak: “het kan verkeren” en dat geldt, voeg ik er maar aan toe, zeker als het gaat om de perceptie van risico en veiligheid.

Een verantwoorde toepassing van het voorzorgsbeginsel bestaat eruit dat op basis van een schatting van het risico –en dat is iets anders dan een sluitende risicoanalyse- een afweging plaatsvindt van de consequenties van een ontwikkeling. Er dient dus een afweging plaats te vinden van baten en lasten. Op basis van die afweging worden dan uit voorzorg passende maatregelen ingevoerd. Dat kan stopzetten van een ontwikkeling betekenen maar dat hoeft niet, het kan ook betekenen dat de ontwikkeling onder strikte condities wordt voortgezet.

Een belangrijk aspect van het voorzorgsbeginsel is wat men noemt de proportionaliteit. De beheersmaatregelen moeten in verhouding staan tot het risico. Van wielrenners wordt geëist dat ze tijdens hun sport een valhelm dragen, maar van de fietser die langs gebaande fietspaden naar zijn werk gaat wordt zoiets uiteraard niet geëist. Een ander aspect dat bij het hanteren van het voorzorgsprincipe opduikt is consistentie. Men wil daarmee aangeven dat inconsistenties vermeden moeten worden. Een nieuwe technologie moet niet anders behandeld worden dan een bestaande technologie. Een illustratief voorbeeld. Bij de kaasbereiding wordt om de melk te laten stremmen gebruik gemaakt van een enzym dat van oudsher uit de lebmaag van kalveren wordt geïsoleerd. Niemand heeft daar ooit een vraag bij gesteld als het ging om de kaas als veilig product. Terecht omdat het enzym alleen een rol vervult in het proces en niet in het eindproduct zit. Bij een innovatie van de kaasbereiding wordt hetzelfde enzym gebruikt maar nu gemaakt via de recombinant-DNA technologie. Nu worden er echter door allerlei organisaties vragen gesteld over de veiligheid van het product. Bepaalde consumentenorganisaties eisen dat de consument op zijn minst geïnformeerd moet worden dat de kaas een recombinant-DNA product is. Merkwaardig en ridicuul. Om het voorbeeld enigermate te badineren: maakt het uit oogpunt van de veiligheid van een taart uit of de doos waarin de taart zit is gevouwen in de sociale werkplaats of in de Bijlmerbajes?

Laat mij enkele dilemma’s van het voorzorgsbeginsel illustreren aan de hand van praktijkvoorbeelden.


Chloreren van water

In Peru werden de havenautoriteiten attent gemaakt op het feit dat de toevoeging van chloor aan het water kan leiden tot de vorming van kankerverwekkende verbindingen. Uit voorzorg besloten ze daarom het water van de binnenhavens niet langer meer te chloreren. Op het eerste gezicht een fraai besluit binnen het raam van het voorzorgsbeginsel. Maar men was kennelijk vergeten waarom de chloortoevoeging werd gedaan: binnen een paar jaar na het stopzetten van de chlorering braken er in Peru cholera epidemieën uit. De bron van de ellende bleek het water van de niet-gechloreerde binnenhavens waarin de verwekker van cholera de bacterie Vibrio cholera zich naar hartelust kon ontwikkelen. Hier gold dus: “safe , but nevertheless very sorry. Bij pogingen om risico’s van bepaalde ontwikkelingen te vermijden worden we dus gedwongen om de effecten in een breed perspectief te beoordelen.

Antibiotica als groeibevorderaar


Het voorbeeld van de toepassing van antibiotica als veevoeder additief is erg illustratief voor de verschillende tegenstrijdige rollen van actoren in de risicobeheersing. Ruim vijftig jaar geleden ontdekte men bij toeval dat vee gevoerd met afvalmateriaal van een fabriek die zich bezighield met antibioticaproductie erg goed groeide. Restanten antibiotica in het afvalmateriaal bleken, tot verrassing van de onderzoekers, voor dit effect verantwoordelijk. Sindsdien ging men op steeds grotere schaal antibiotica aan het veevoer toevoegen om mestvee snel vet te mesten. Van het begin af aan zijn er mensen geweest die gewaarschuwd hebben tegen deze praktijk, omdat er daardoor een selectiedruk voor resistente bacteriën ontstaat met daaraan verbonden gevaren voor de volksgezondheid. Opmerkelijk is dat Fleming de ontdekker van penicilline al heeft gewaarschuwd voor dit nadelige effect van de toepassing van antibiotica.

Maar die waarschuwingen werden genegeerd, aanvankelijk met het argument dat de antibiotica die aan het veevoer worden toegevoegd andere zijn dan die gebruikt worden om mensen te genezen. Een drogreden toen bleek dat bepaalde resistentiemechanismen geen onderscheid maken tussen antibiotica die als groeibevorderaars worden gebruikt en de antibiotica die als geneesmiddel worden gebruikt (men spreekt van kruisresistentie). De waarschuwende geluiden werden indringender toen men ontdekte dat de resistentiegenen niet alleen bij de celdeling werden doorgegeven aan de dochtercellen, maar dat er allerlei mechanismen bestaan waardoor bacteriën hun resistentiegenen kunnen doorgeven aan andere bacteriën (men spreekt dan van horizontale transmissie). Toch werd er nog steeds niet ingegrepen. Je krijgt de indruk dat in het spel tussen economie enerzijds en volksgezondheid anderzijds, de economie jarenlang het primaat had. Bovendien is het opmerkelijk dat de problematiek van de antibioticaresistentie anders werd beleefd in de medische wetenschap dan in de veterinaire wetenschap.

In 1998 kwam er een rapport van de gezondheidsraad waarin het voorstel stond om de antibiotica definitief uit het veevoer weg te laten, een maatregel die een aantal Scandinavische landen al eerder had genomen. Het rapport volgde het voorzorgsbeginsel op voortreffelijke wijze: het grote en groeiende reservoir aan resistentiegenen in ons mestvee brengt het risico met zich mee van overdracht van zulke genen naar bijvoorbeeld de gevreesde ziekenhuisbacterie Staphylococcus aureus. De gevolgen daarvan voor onze volksgezondheid kunnen dramatisch zijn en gaan dan kosten met zich meebrengen die niet opwegen tegen het verlies voor de veemesterij als de groeibevorderaars weggelaten worden. De reactie van de veevoederfabrikanten was voorspelbaar: zij huurden wetenschappers in die betoogden –wiens brood men eet diens woord men spreekt, denk ik dan- dat de overdracht van genen vanuit darmbacteriën naar de ziekenhuisbacterie niet daadwerkelijk was aangetoond en dat voorzorgsmaatregelen dus nog niet nodig waren. Hier wordt het voorzorgsbeginsel echt uitgehold: men wil de put pas wil dempen als het kalf verdronken is. Overigens laat dit voorbeeld zien dat wetenschap vooral dan een riskante bussiness wordt als grote financiële belangen een rol spelen. Ondanks de tegenwerking van de fabrikanten doet het rapport zijn invloed gelden en wordt er in Nederland hard –en naar mij uit de praktijk verzekerd is met succes- gewerkt om de antibiotica uit het veevoer te verwijderen. Beter laat dan nooit!



Riskante genetische wetenschap.



Om een inzicht te geven in het probleem van riskante wetenschap en hoe men er maatschappelijk mee omgaat wil ik de complexe en tamelijk actuele thematiek van de recombinant-DNA technologie bespreken. De ontwikkeling van onze kennis over DNA heeft geleid tot een technologie die we kennen als de recombinant-DNA technologie. Een van de meest tot de verbeelding sprekende toepassingen is de mogelijkheid om via deze technologie transgene organismen te maken. Transgene organismen –bacteriën, planten of dieren- worden gekenmerkt doordat ze via de recombinant-DNA technologie voorzien zijn van DNA uit een ander organisme.

Toen men er in slaagde om transgenen bacteriën te maken hebben de onderzoekers zelf –en dat was uniek- een oproep geplaatst in Science om de technologie niet toe te passen aleer de potentiële risico’s van deze transgene bacteriën in kaart gebracht waren. Er werden daartoe verschillende internationale conferenties georganiseerd en het resultaat was dat men tot een indeling kwam van typen transgene bacteriën:

Voor het laboratoriumonderzoek met transgene bacteriën werden passende veiligheidsmaatregelen geëist afhankelijk van de risicocategorie. Sommige experimenten waaraan teveel risico’s verbonden waren werden simpelweg verboden.

Toch was niet iedereen tevreden. Sommige mensen hadden argwaan omdat wetenschappers zelf –belanghebbenden tenslotte – de regels hadden gemaakt, terwijl sommige organisaties liever een uitspraak wilden of onderzoek aan transgene bacteriën überhaupt gedaan moesten worden. Bovendien vroegen mensen zich af of de risico’s voor een lange termijn wel goed ingeschat waren. Zouden transgenen bacteriën die uit het laboratorium ontsnappen op de lange termijn geen grote gevaren veroorzaken? Anderzijds zijn er steeds meer onderzoekers die teleurgesteld zijn omdat ze, ook na 25 jaar praktijk waarin het werken met transgene bacteriën nooit enig probleem heeft opgeleverd, nog steeds moeten werken onder beperkende en geldverslindende maatregelen alsof er sprake was groot gevaar. Het is noodzakelijk dat voorzorgsmaatregelen voortdurend worden bijgesteld, uiteraard als de risico’s groter blijken dan eerst ingeschat maar ook als de risico’s te hoog zijn ingeschat. Regel- en wetgeving in ons land blijkt helaas erg rigide en speelt slecht in op de ontwikkelingen.

De problemen werden groter toen men transgene bacteriën voor bepaalde toepassingen bewust in het milieu wilde brengen en toen men transgene planten ging maken. Zou het milieu door zulke organismen verstoord worden? Laat ik dat illustreren aan de hand van transgene planten met informatie voor een bacterieel toxisch eiwit (Bt) voor vraatzuchtige insecten. Zulke planten zijn door het Bt-gen gevrijwaard voor insectenvraatschade en chemische bestrijdingsmiddelen hoeven niet langer te worden gebruikt. Maar de vraag rees: is het toxisch eiwit echt onschadelijk voor andere dieren? Onrust ontstond toen onderzoekers in de Verenigde Staten publiceerden dat de Monarch vlinder gevoerd met stuifmeel van een zogenoemde Bt-plant doodging. Het feit dat de vlinders met excessieve hoeveelheden stuifmeel werden gevoerd, gaf aanleiding tot discussie. Was het gevaar realistisch? Ook kwam de vraag naar voren of de genen voor het toxisch eiwit zich vanuit de transgene plant in de natuur zouden verspreiden –opnieuw door horizontale transmissie- naar allerlei andere planten? Als dat het geval is ontstaat er selectiedruk voor resistente insecten en vallen we voor de insectbestrijding weer terug op de klassieke insecticiden met alle gevaren van dien.

Een tweede voorbeeld over problemen met transgene planten betreft de planten met informatie voor herbicide (plantenbestrijdingsmiddel) resistentie. Zo’n plant kan optimaal gedijen terwijl al het onkruid erom heen met het bestrijdingsmiddel uitgeroeid wordt. Maar wat als de resistentiegenen, opnieuw door horizontale transmissie, worden verspreid naar het onkruid? Schieten we dan niet in ons eigen been? Daarnaast kwam ook de vraag of de herbicide resistente planten niet een vrijbrief betekende voor excessief gebruik van bestrijdingsmiddelen, met daaraan verbonden milieuproblemen? Ook worden door sommige mensen en organisaties vragen gesteld of genen die geïntroduceerd worden in planten een risico betekenen voor de consument die voedingsmiddelen nuttigen die aan zulke planten zijn ontleend.

Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken, er zijn rondom transgenese, zeker als we gaat over transgene dieren en genetisch ingrijpen bij de mens in de vorm van gentherapie of reproductief kloneren, vragen die eerder waarden en normen raken dan risicovragen in engere zin. We raken dan aan de ethische vraag of we met transgene organismen de integriteit van de schepping schaden. Op die lastige, maar reële, kwesties ga ik hier niet in.

Over de zaken die hier in het kader van riskante wetenschap zijn aangeroerd is heel veel te zeggen. Hier wordt volstaan wordt met een aantal vaststellingen ter afsluiting:

-de discussie heeft duidelijk gemaakt welke kennis ontbrak om de gestelde vragen te beantwoorden. Het wetenschappelijk onderzoek in de genetica –bacteriegenetica, plantengenetica en humane genetica- maar ook in de ecologie heeft daardoor een nieuwe impuls gekregen.

-economische en ideologische belangentegenstellingen hebben de informatie naar het publiek omtrent de risico’s van transgene organismen sterk vervuild.

-er is grote behoefte aan goede en evenwichtige informatie.

-de vragen omtrent de risico’s van transgene organismen hebben een dusdanig brede impact dat er mondiale antwoorden moeten worden gegeven.

-de overheid, en daarbij ligt het primaat niet altijd bij het ministerie van Economische Zaken, dient ten aanzien van transgene organismen beslissingen te nemen op grond van kennisfeiten

-de kennisfeiten kunnen alleen ontwikkeld worden door interdisciplinair onderzoek

-de universiteiten moet onderwijs bevorderen waarin de student leert om over de grenzen van zijn eigen vak heen te kijken.





Tags: faculteit biologie, hoekstra, riskante, faculteit, wetenschap